9 juni 2026

“U moet verhuizen.” Maar wie beslist dat eigenlijk?

Hij woonde er al jaren. Het was zijn woning, zijn ritme en zijn zelfstandigheid. Met ondersteuning van Fokus kon hij leven zoals hij dat wilde: in zijn eigen huis, met regie over zijn leven. Totdat er iets veranderde. Niet omdat hij dat wilde of omdat het thuis niet meer ging, maar omdat de zorg veranderde.

De logica die niet klopt

Hij werd ernstig ziek. Er werd gesproken over een terminale fase. De zorg werd opgeschaald en iedereen hield rekening met het ergste. Maar het liep anders, want hij knapte op. Daarmee ontstond ruimte voor een nieuwe vraag: wat is er wel mogelijk? Meer dan gedacht. Zorg kon thuis plaatsvinden, veilig en verantwoord. Tot de boodschap kwam: “Wij kunnen de zorg niet meer leveren. U moet verhuizen.”

Op het eerste gezicht klinkt het logisch dat als er geen zorg is, je niet in een Fokus-woning kunt wonen. Maar wie iets verder kijkt, ziet dat deze redenering wringt. Fokus levert zorg. Het woonbedrijf verhuurt de woning. Dat zijn juridisch gescheiden werelden. Niet Fokus, maar het woonbedrijf kan een huurovereenkomst beëindigen en dat kan alleen via een juridisch traject.

De vraag is dus niet of de zorg stopt, maar of er daadwerkelijk een besluit genomen is over de woning. Of wordt hier een boodschap gebracht die juridisch nog helemaal niet bestaat?

Wanneer zorg en wonen door elkaar gaan lopen

Wat in de praktijk gebeurt, is ingrijpend. Fokus stopt met zorg en in dezelfde beweging ontstaat de indruk dat ook het wonen stopt. Niet via de verhuurder en niet via de rechter, maar via de zorglijn. Daarmee verschuift de feitelijke macht. Want hoewel Fokus formeel geen huurcontract kan beëindigen, ontstaat wel de situatie dat cliënten zich gedwongen voelen om te vertrekken. De kern is simpel en tegelijk zorgelijk, want de zorgaanbieder krijgt indirect invloed op het woonrecht van cliënten.

Het kan anders

Wat deze ontwikkeling nog opmerkelijker maakt, is dat het in veel gevallen anders gaat. Een groot deel van de cliënten die Fokus verlaten, blijft gewoon in de woning wonen. Zonder uitzetting en zonder juridische procedure. Dat betekent dat het wél mogelijk is. Waarom wordt in sommige situaties gesteld dat iemand moet vertrekken, terwijl dat in andere gevallen niet gebeurt?

De rol van het woonbedrijf

Daarmee komen we bij de kernvraag: staan woonbedrijven eigenlijk achter deze werkwijze? En weten zij hoe dit in de praktijk uitwerkt? Het woonbedrijf is immers de verhuurder. Zij zijn verantwoordelijk voor het huurcontract en zij zijn degene die – indien nodig – een beëindiging moeten starten. Maar worden zij in deze situaties daadwerkelijk betrokken? Of ontstaat er een praktijk waarin namens hen wordt gesproken, terwijl zij formeel nog geen besluit hebben genomen?

Als dat laatste het geval is, dan is er sprake van een fundamenteel probleem. Dan worden cliënten mogelijk onder druk gezet zonder dat de juridische basis daarvoor aanwezig is.

De omgekeerde wereld

Wat deze casussen extra wrang maakt, is dat de oorzaak vaak niet bij de cliënt ligt. Fokus heeft namelijk zelf ook verplichtingen: het leveren van goede, veilige en passende ADL-assistentie. Wanneer Fokus aangeeft die zorg niet meer te kunnen leveren, ontstaat een vreemde situatie. De zorgaanbieder stopt en de cliënt zou de consequentie moeten dragen in de vorm van verlies van zijn woning. Dat is de omgekeerde wereld. Het betekent dat tekortschieten in zorg wordt vertaald naar verlies van wonen.

De impact op cliënten

Voor cliënten is dit geen theoretisch vraagstuk. Het betekent onzekerheid over hun thuis, druk om te verhuizen – vaak richting een verpleeghuis – en verlies van autonomie. In het ergste geval ontstaat zelfs risico op dakloosheid. Terwijl er in veel situaties alternatieven zijn, zoals Wlz-zorg thuis via PGB, Basisbudget Plus of inzet van andere zorgaanbieders. De vraag is dus niet of er mogelijkheden zijn. De vraag is wie bereid is om die mogelijkheden te organiseren.

Het onderliggende probleem: een governance-gat

Dit is geen incident, maar een structureel probleem. Er ontbreekt een duidelijke governance rondom dit soort situaties. Er is geen eenduidige procedure bij zorgbeëindiging, geen heldere klachtenroute, geen vaste regie in complexe casussen (MDO) en geen scherpe scheiding tussen zorg- en woonbesluiten in de uitvoering.

Dat leidt tot willekeur, escalaties en groeiende juridische druk. Zoals breder wordt erkend is er sprake van een governance-gat. In dat gat ontstaat ruimte voor interpretatie, druk en ongelijkheid.

Wat is er nodig?

De oplossing ligt in structuur en duidelijkheid, een heldere scheiding tussen zorgrecht en huurrecht en transparantie richting cliënten over hun positie. Maar ook in formele klachten- en besluitroutes en duidelijke regie in complexe casussen. En vooral: actieve betrokkenheid van woonbedrijven bij dit soort vraagstukken. Zonder die basis blijft het systeem kwetsbaar.

Tot slot

Aan het einde van het gesprek zei hij: “Maar dit is toch mijn huis?” Dat is dus precies waar het om draait. Niet om systemen of regels.

Zolang daar geen helder en consistent antwoord op komt, blijven cliënten tussen zorg en wonen in hangen. Tussen recht en praktijk. Dat is een positie waarin niemand zou mogen belanden.