Soms loop je bij een instelling tegen meerdere problemen aan en zie je na verloop van tijd dat er een patroon is ontstaan bij verschillende cliënten. Hoewel er regelmatig te bemiddelen valt, loop je in deze gevallen vaak tegen hardnekkige patronen aan. Eén van die probleemgevallen heeft cliëntondersteuner Peter beschreven in de vorm van een fabel; een eeuwenoud gebruik om zaken duidelijk te maken met behulp van dieren.
In het grote zorgbos woonden eens drie merel-zussen tezamen in een nest. De buitenste twee wisselden soms van plek, maar eentje zat altijd in het midden. Dat kwam omdat zij een luiertje droeg die nog weleens wilde afzakken als ze opstond, maar dan trokken haar zussen het weer omhoog.
Nu waren de twee merels niet voor niets zo behulpzaam; er waren al een aantal zusjes uit het nest gevallen en dat wilden ze niet nog eens meemaken. Die bezorgdheid ging zó ver, dat ze haar ook niet tegenspraken en niet naar andere dieren wilden luisteren als dat tegen de wens van de middelste zus inging.
Het lijflied
De merel-zussen hielden van zingen, daar konden ze de hele dag mee bezig zijn. Hun lijflied was: “ik heb altijd gelijk”, wat zij dagelijks meermaals zongen. Soms zo hard, dat het alle liederen van de andere bosbewoners overstemde. Tja, je moet er wat voor over hebben om in een zorgbos te wonen.
Dat lijflied zongen ze ook als ze zorg verleenden aan de andere vogeltjes die ze onder hun hoede hadden. En als de ouders van die vogeltjes dan iets anders wilden, gingen ze eerst harder zingen. Vervolgens zei de middelste: “Dat beslis ik” en als dat nog niet hielp, dan haalden zij er een paar andere merels bij. ‘’U mag zelf kiezen’’, zeiden ze dan. ‘’Maar als u niet doet wat wij willen, hebben we een verstoorde werkrelatie en dan moet uw kind weg. Want dan twijfelt u aan onze expertise.’’ Dat de ouders misschien ook expertise hadden met betrekking tot hun kind, konden ze niet bij stilstaan. Die hadden er immers niet voor geleerd.
De draak met de afwijkende mening
De merel-zussen floten er lustig op los. Het was wel een beetje jammer dat de middelste toondoof was. Als zij begon te zingen, klonk er in het begin nog wel een beetje harmonie, maar langzaamaan kwamen er steeds meer dissonanten in het lied. In het bos kwam soms ook een (erg) eigenwijze draak en die zei daar af en toe wat van. De zussen waren geschokt, tot diep in hun ziel. Hoe durfde die draak een afwijkende mening te hebben?! Schandalig. Het liefst zouden ze hem met pek en veren besmeurd het bos uit jagen en daarvoor riepen zij dan de hulp in van anderen.
Toen dat niet zoveel effect had, besloten de merel-zussen hem uit te nodigen voor een gesprek. ‘’Dat is goed’’, zei de draak. ‘’Laten we meteen wat afspraken maken.’’ Zo gezegd, zo gedaan. Of eigenlijk niet. Want op de afspraak was de middelste merel niet aanwezig. ‘’Dat vonden wij niet nodig’’, zeiden de twee zussen. En tot een nieuwe afspraak kwam het niet, want zij werden het niet eens over wie er dan wel bij moest zijn. ‘’Dan blazen we het maar af’’, was de conclusie en de merels waren daar zeer blij om. Want boos zijn en iemand toespreken is één ding, maar een weerwoord krijgen ligt vaak gevoeliger.
En zo zitten de drie zussen nog steeds in het bos en zingen hun lijflied.
De moraal van dit verhaal; behoed je voor merels die dissonanten zingen, want dat zij zorgzaam zijn is een fabeltje.

